Natuurgebieden

Plantage Willem III

Ligging en ontstaansgeschiedenis

Door: Dirk Prins en André Karper

De Plantage Willem III en Remmerdense heide liggen op de zuidhelling van de Utrechtse Heuvelrug, net ten oosten van het dorp Elst (U). Sinds 1995 worden beide gebieden als één geheel beheerd door Stichting Het Utrechts Landschap.
De Plantage Willem III heeft een duidelijk verschil in landschap. Het onderste deel van het gebied is (half )open, terwijl de hogere helft bestaat uit bospercelen, open delen en enkele heidevelden. Aan de voet van de Plantage Willem III liggen de uiterwaarden van de Nederrijn. Kortom een prachtig overgangsgebied van hoog naar laag, van droog naar nat en van schraal naar vruchtbaar, met van boven af een prachtig uitzicht richting Elst en zelfs Lienden in de Betuwe. Aan het grove zand is te herkennen dat we in het gebied te maken hebben met een zogenaamde sandr, een grote geleidelijk hellende  uitspoelselvlakte die vanuit het gletsjerijs van de voorlaatste ijstijd ontstond. De aanwezigheid van een 7-tal grafheuvels in het gebied duidt op prehistorische bewoning, vooral vanaf de bronstijd. Niet onlogisch; op de heuvelrug woonde je “hoog en droog”, je kon er jagen, maar ook afdalen naar de vruchtbare omgeving van de Rijn of naar de Gelderse Vallei, om daar je gewassen te verbouwen.
Het noordelijk deel van het gebied wordt aangeduid als Remmerdense Heide. Vroeger was dit een uitgestrekt heidegebied, maar het merendeel daarvan is momenteel bebost met Grove den, Spar en Lariks. Temidden van de bospercelen ligt nog een flink heideveld, dat een beeld geeft hoe de vegetatie er vroeger uitgezien moet hebben. In dit heideveld leven veel zandhagedissen en broeden roodborsttapuiten.
‘s Winters is de Klapekster er regelmatig te zien. Ook reeën scharrelen in de schemer vaak over de heide. Op warme zomeravonden jaagt de Boomvalk er op libellen.

 

Tabaksteelt

Tabakschuur

Het zuidelijk deel van het gebied, de Plantage Willem III was tot 1995 in landbouwkundig gebruik, vroeger voor de teelt van tabak en vrij recent voor zaadveredeling. De tabaksteelt ontstond tussen Rhenen en Amerongen in de 19e eeuw. Tegen de zuidelijke hellingen van de Heuvelrug werd de tabak, vooral kleinschalig, verbouwd. In 1853 werd de Plantage Willem III door de gebroeders Ruijs in erfpacht genomen. Het gebied werd ontgonnen en in cultuur gebracht als tabaksplantage. De onderneming kreeg als naam Plantage Willem III. Het is niet helemaal duidelijk waarom juist die naam. Willem III was in 1849 koning geworden en hij had veel belangstelling voor de ontwikkeling van ondernemingen, dus misschien was dat de reden.

Rond 1856 stonden er zo’n 14 tabaksschuren (droogschuren), waaronder één zeer grote met een lengte van 60 meter. Voor de landarbeiders werden 16 huisjes gebouwd die later wel de Gribus werden genoemd. In de loop van de tijd wisselde het gebied nogal eens van eigenaar en werden er ook steeds meer andere gewassen verbouwd. Later raakte de tabaksteelt nog verder op de achtergrond. De oorzaak daarvan was onder meer het feit dat het tabaksmozaïekvirus en ook de meeldauwschimmel steeds meer een verantwoorde teelt van tabak onmogelijk maakte. Bovendien was de kwaliteit van de inlandse tabak slecht en eigenlijk alleen bruikbaar als binnengoed of kerftabak.

In 1964 werd de onderneming verkocht aan de Cebeco. Deze coöperatie heeft zich beziggehouden met het veredelen van landbouwgewassen en het zoeken naar nieuwe rassen van granen en grassen vooral geschikt voor schrale bodems. In 1995 vertrok de Cebeco en kwam het terrein in handen van de Stichting Het Utrechts Landschap.

Een ree op de Plantage

Na een aantal jaren van (onbemeste) roggeteelt, teneinde de grond weer te verarmen, is het gebied “teruggegeven aan de natuur” en ontwikkelt het zich tot een halfopen landschap met een afwisseling van grasland, struiken en bomen. Om te zorgen dat het gebied niet helemaal zal dichtgroeien wordt het gebied begraasd door een groep Galloway-runderen en een groep Konikpaarden. De gevarieerde begroeiing is van grote betekenis voor vlinders, zandhagedissen, sprinkhanen, muizen, reeën en vele vogelsoorten.

 

 

Vogels

In dit voor Nederland zeldzame landschapstype worden tal van zeldzame vogels waargenomen. Zo broeden er ieder jaar verschillende paartjes Roodborsttapuit,

Het mannetje van de Roodborsttapuit

Boompieper, Gekraagde roodstaart en Geelgors. Het gebied is eveneens een geliefde pleisterplaats voor trekvogels zoals Tapuiten en Boompiepers. In de winter wordt regelmatig de Klapekster gesignaleerd en/of een Blauwe Kiekendief, jagend laag over het terrein. Het gebied straalt veel rust uit en mede doordat honden in het gebied niet zijn toegestaan zijn ook overdag vaak reeën te zien. Door toeval zijn er in het gebied enkele damherten terecht gekomen, die zich inmiddels tot een behoorlijke groep hebben uitgebreid.

 

 

Planten

In de zomer is er een weelde aan bloeiende planten, met opvallend veel geel van soorten als Biggenkruid, Jakobskruiskruid, Sint-Janskruid, Guldenroede, Muizenoor en Brem, maar ook is er het wit van Duizendblad, Witte klaver en Margriet. Het Jakobskruiskruid was enkele jaren zeer overvloedig aanwezig maar is duidelijk in aantal afgenomen. Deze, voor zoogdieren giftige soort wordt door runderen en paarden gemeden, wat waarschijnlijk mede een oorzaak is van de sterke uitbreiding van deze soort in begraasde natuurgebieden.

De Zebrarupsen van de Sint-Jakobsvlinder

Vaak wordt de plant kaal gevreten door massaal aanwezige rupsen van de Sint-Jakobsvlinder. Deze diertjes worden wel zebrarupsen genoemd omdat ze opvallend geelzwart dwars gestreept zijn. Het is een voorbeeld van wat in de natuur wel ‘’waarschuwingskleuren’’ worden genoemd want deze rupsen zijn net zo giftig als de plant daar ze dezelfde stof jacobine bevatten. Hetzelfde geldt voor de volwassen vlinders die eveneens heel opvallend gekleurd zijn, deze keer echter zwart met bloedrode streep en vlekjes. Vogels laten het wel uit hun hoofd er van te eten, van rups zowel als van vlinder! De plantengroei in het gebied is nog steeds in ontwikkeling. Aanvankelijk groeiden er veel pioniersoorten zoals Canadese fijnstraal, Schapenzuring en allerlei akkerplanten, maar intussen zijn grassen als Gestreepte witbol, Gewoon struisgras en Duinriet sterk toegenomen plus de al eerder genoemde kleurige bloemplanten. De verwachting is dat de vegetatie zich op lange termijn zal ontwikkelen tot een heide. Op een paar plekken zijn de eerste pollen struikhei al te vinden, als een voorloper op deze ontwikkeling.

 

Oranje Havikskruid

Heel wonderlijk is de talrijke aanwezigheid en bloei (in mei-juni) van het Oranje havikskruid, een soort die je in de Nederlandse natuur weinig ziet en in feite een ontsnapte tuinplant is. Jarenlang waren hier nog meer ‘’vreemde’’ planten te zien zoals een uitheemse soort Vingerhoedskruid (Digitalis lanata) die gekweekt werd met het oog op een medicijn tegen hartritmestoornissen. Intussen is deze vrijwel verdwenen. In dit gebied komen veel planten voor die door hun landelijke achteruitgang op de zogenaamde Rode Lijst van bedreigde soorten staan. Op de Plantage Willem III zijn dat onder andere Duits viltkruid, Dwergviltkruid, Bosdroogbloem, Kruipbrem en Blauwe bremraap. De drukke doorgaande provinciale weg N225 vormt voor veel dieren een onneembare barrière tussen de Utrechtse Heuvelrug en de uiterwaarden van de Rijn. Daarom is men in 2007 gestart met de aanleg van een faunapassage, waarbij de natuur onder de provinciale weg door zal gaan. Allerlei kleine en grotere dieren kunnen hiervan profiteren.